Het grote wereldtoneel – Philipp Blom

leestijd plm. 9 min.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Verslag van de bijeenkomst op 17 december 2020.

Een gewone bijeenkomst waarbij we rechtstreeks met elkaar kunnen discussiëren is al maanden niet meer mogelijk. Vanwege de beperkingen die de Corona-crisis oplegt hebben we een andere manier gezocht om met elkaar van gedachten te wisselen over een filosofisch boek. Gelukkig biedt het digitale tijdperk hiervoor voldoende mogelijkheden. Gerry van Meijel had op 17-12-2020 voor ons een Microsoft Teams bijeenkomst opgezet; veel dank hiervoor. Een enkeling had wat startproblemen maar verder verliep het goed.   

We bespraken het boek ‘Het grote wereldtoneel. Over de kracht van de verbeelding in crisistijd’ van de historicus en filosoof Philipp Blom. De algemene mening was dat het een heel mooi geschreven boek is, gemakkelijk te lezen, maar ook dat het soms in herhaling vervalt. Enerzijds geeft Blom tal van mooie gedachten en inzichten, maar anderzijds biedt hij niet veel nieuws. Blom presenteert een historische schets die leidt naar een analyse van onze huidige samenleving. In zijn voorwoord schrijft hij: ‘Daarom leek het me passend en zinvol de actuele gebeurtenissen als een groot wereldtoneel op te vatten en erover na te denken welke verhalen samenlevingen zichzelf vertellen, welk beelden ze scheppen, hoe  die verhalen een landkaart van heden en toekomst tekenen en wat ze verbergen.’

De historische schets begint bij de rampzalige kleine ijstijd in de zestiende eeuw. De samenleving kon zich – volgens Blom – pas aanpassen toen er ook andere denkpatronen ontstonden van waaruit men anders ging handelen. Blom noemt empirische kennis, gelijkheid voor de wet, tolerantie en vrijheid. Scheepvaarders en onderzoekers ontdekten nieuwe werelden die nauwelijks in gewone woorden waren te beschrijven. ‘Maar als de werkelijkheid en de taal die haar moet weergeven niet meer bij elkaar passen, als de taal niet de juiste woorden heeft om de gevoelens en ervaring uit te drukken die het leven van veel mensen bepalen, dan moet de zoektocht naar een andere taal beginnen. Die zoektocht is een moeizaam proces. Er begint een machtsstrijd tussen de verschillende interpretaties van de werkelijkheid.’ Dit is een periode van overgang, een “omegafase”. ‘Het kenmerk van een systeem in de omegafase is dat er geen concept is voor een kwalitatief andere toekomst’

Het volgende hoofdstuk heeft als titel ‘De oorlog tegen de toekomst’ en Blom noemt hier het groeiende grondstoffen- en energieverbruik. We zitten opnieuw in een omegafase. ‘Wie iemand is of voor wie iemand zich houdt, wordt steeds sterker bepaald door de vraag welk consumptiepatroon hij erop na houdt. … De drijvende krachten in onze wereld zijn nu eenmaal innovatief en productiviteit; de natuur mag geen rol spelen, mag de economie niet het initiatief uit handen nemen, het is een passieve opslagplaats van materialen.’ Er dreigt nu een klimaatramp. ‘Onder die omstandigheden is het niet optimistisch, maar gewoon krankzinnig om te wachten op het moment dat de technologische oplossing van alle problemen gevonden is.’ In de negentiende en twintigste eeuw is de uitbuiting van de aarde in een stroomversnelling geraakt. Dit valt niet gemakkelijk te veranderen. Het mensbeeld van de marktsamenleving berust meer op de idee van de eindeloze flexibiliteit van de mens, maar volgens Blom is die niet aantoonbaar. En: ‘Wat eenmaal ontketend is, kan niet meer worden herroepen.’

Denkers uit de verlichting als Diderot en d’Alembert zagen soms niet het potentieel van de nieuwe zaken die ze beschreven. Het paste nog niet in hun denkraam waardoor ze ook niet de taal hadden om het te beschrijven. Voor welke onderwerpen geldt dit nu voor ons? Hebben wij ook een selectieve blindheid over het denken van de verlichting in onze tijd? Zowel ingenieurs als wetenschappers dachten vroeger vanuit het verleden. Is dat nu anders, en zo ja in hoeverre?    

Belangrijk was volgens Blom de komst van de idee van gelijkheid en die van de mensenrechten. Hij vindt het verontrustend dat nu behalve de realiteit ook steeds meer het ideaal van de mensenrechten wordt aangevallen. Want: ‘Als er één nuancering mogelijk wordt, wordt elke nuancering mogelijk; als mensenrechten niet universeel zijn, zijn ze willekeurig.’

Vervolgens komt de vraag: ‘Komt er na de enlightenment de endarkenment?’ Is de verlichting mislukt, een dwaalweg in de geschiedenis? De achilleshiel van het verlichte denken is echter het misverstand dat menselijke samenlevingen zicht lineair en rationeel ontwikkelen. De drijfveren van homo sapiens zijn niet rationeel. De verlichters dachten niet alleen wetenschappelijk-empirisch, maar ook sterk in ficties. Dan kom je op bedenksels als mensenrechten met vrijheid en gelijkheid, maar die bestaan niet in de natuur. ‘Geen god, geen scheppingsmythe en geen hemelse gebodscatalogus dicteert de mensenrechten. ….  Wat zou er gebeuren als we de verlichting ambitieuzer, consequenter zouden doordenken?’

Hierna gaat Blom in op de Romantiek, de tegenvoeter en ontkenning van de verlichting. Moeten we tussen deze twee kiezen? Nee, veel denkers hebben zich tussen deze polen bewogen. Wat is het belang van de Romantiek? ‘De romantici, niet de hoofdpersonen van de verlichte ratio, zagen in de verbeeldingskracht en in het vertellen van verhalen de transformatieve kracht van een intuïtie die nieuwe figuren ontwerpt en nieuwe begrippen, ervaringen en mogelijkheden schept.’ Zo’n denkwijze werpt een ander licht op de betekenis van mensenrechten: ‘Mensenrechten, vrijheid, gelijkheid en solidariteit zijn geen beschrijvingen van natuurlijke toedrachten, maar ideële totems, noodzakelijke ficties, die samenlevingen beschaafder maken.’  In onze tegenwoordige maatschappij zijn veel idealen verdwenen. We worden nu gedreven door markten en hyperconsumptie, maar dat biedt geen toekomstperspectief.

De tegenstelling tussen verlichting en romantiek is overdreven. Ook de verlichters zagen de mens als deel van de natuur. Dan vraag je jezelf af, in gezelschap van onder andere Spinoza en Nietzsche: ‘als alles natuur is, wat zijn wij dan?’ Nu komt Blom goed op dreef: ‘De autonoom handelende mens, de kroon op de schepping, die de wereld onder zijn knie dwingt, is een verhaal dat bange zielen elkaar vertellen. ….  De verlichters dachten niet wetenschappelijk genoeg toen ze mensen beschreven als rationele wezens. …. Het rationele, zelfbeschikkende en vrij handelende individu, wiens lichaam tegenover de buitenwereld duidelijk bepaald is, verdwijnt van het historisch toneel als een vale fictie.’ De mens is dus niet zo autonoom als we graag willen geloven. In hoeverre hebben we desondanks nog een vrije wil? Daar zegt Blom niets over.

Het oude verhaal van de rationele en autonome mens is voorbij. Een nieuw verhaal is nodig om de oorlog tegen de toekomst te beëindigen. Blom noemt nu de Gaia hypothese, die zegt dat onze planeet zelf een organisme is dat handelt en zicht ontwikkelt. Dit sluit aan bij de mythen en verhalen van natuurvolken en oude beschavingen. Vinden we hier de gewenste wending in het verlichte denken? Blom vindt het allemaal heel interessant maar weet nog niet of dit het verhaal is dat we nu nodig hebben.  

De toekomst is niet meer wat ze geweest is. We bevinden ons in een klimaatramp. De waarheid in de publieke ruimte is ingestort. Is een verdere ontwikkeling van de idee van een liberale democratie mogelijk? Voor Blom is het duidelijk dat we ons het einde van een ontwikkeling of tijd staan, maar wat dan? ‘Zonder een gemeenschappelijk verhaal, zonder een gemeenschappelijke wil is een transformatie niet mogelijk. Maar gemeenschappelijke verhalen zijn altijd gebouwd op uitsluiting en vaak op geweld.’ 

In zijn analyse was Blom heel stellig. Over de nieuwe weg die ingeslagen zou moeten of kunnen worden heeft hij nog geen helder beeld (maar wie wel?). ‘Nieuwe beelden vinden voor die uitdaging is het vredesproject van onze tijd. Al het andere volgt.’ 

Philipp Blom schreef het boek op verzoek ter gelegenheid van het honderdste jubileum van de Salzburger Festspiele. Het essay was net af toen de COVID-19 pandemie uitbrak en dan schrijft hij een epiloog met als titel “Een filosofische aardbeving’. Zag hij zijn voorgevoel bevestigd? ‘Het is het gevolg van dezelfde expansionistische logica die de klimaatramp heeft veroorzaakt. Maar hoe belangrijk zal die gedeelde ervaring blijken te zijn?’ De pandemie wordt vergeleken met de aardbeving van Lissabon in 1755 die grote invloed heeft gehad op filosofen van de 18e eeuw. Blom noemt het een geestbeving omdat de denkers van toen de wereld in een ander licht gingen zien. De auteur verandert vervolgens van een analyst in een profeet. ‘Op korte termijn roept de geestbeving van COVID-19 de vraag op naar de almacht van de markt. …..  De gevolgen van de coronacrisis en de mogelijke economische nachtmerrie zullen ons decennialang blijven vergezellen, en het debat erover ook. … Vóór de coronacrisis ervoeren de West-Europese samenlevingen de ambivalentie van de vooruitgang.’ Helemaal zeker voelt Blom zich nog niet, maar hij is wel optimistischer geworden. ‘Zal de ervaring met COVID-19, met zijn lockdown, zijn solidariteit, zijn recessie en zijn vrees voor besmetting, een nieuwe, gedeelde ervaringshorizon scheppen? Dat zal het zeker, en dat is ook al gebeurd. Maar dat is op zichzelf nog geen goed nieuws. Een gedeelde ervaring is zinloos zonder een gedeelde interpretatie; zonder een verhaal  is er gewoon ook geen moraal van het verhaal. Die verhalen worden nu al aarzelend verteld, en de moraal die in de huidige situatie wordt gevonden neigt er toe zeer divers te zijn.’ Voorspellen is moeilijk vooral als het de toekomst betreft. Blom had nog niet gehoord over een eventueel vaccin en daar evenmin over nagedacht. Zal een vaccin effectief zijn? Zo ja, blijft de pandemie dan toch nog als een geestbeving voortleven? In de laatste alinea schrijft Blom: ‘Na de geestbeving tuimelt de ene vraag over de nadere heen. Het is veel te vroeg voor antwoorden maar er is een mal opengewrikt. Het ziet ernaar uit dat we aan het eind van een lang hoofdstuk in de geschiedenis van de mens leven – en aan het begin van een nieuw hoofdstuk.’    

 


 

Ons volgende boek is ‘Door Spinoza’s lens. Een oefening in levensfilosofie’ van Tinneke Beeckman. We hebben van haar eerder al het boek ‘Macht en onmacht. Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting’ gelezen.

In het voorwoord schrijft Beeckman o.a.: Spinoza’s ethiek zoekt naar het goede leven, maar legt geen geboden of verboden op. Daarin verschilt de ethiek van de moraal. Filosofie heeft voor Spinoza weinig met oordelen, maar alles met begrijpen te maken. ….  De wijze beseft dat wat goed is voor hem, ook goed is voor de anderen. ….. Spinoza is een realist en beschrijft de werkelijkheid zoals die is. Geen illusies, geen utopische dromen over een maakbare samenleving. …. Spinoza kiest voor het leven, voor actie ondernemen, en dit zonder valse beloftes. Alles is wat het is, en deels wat je er zelf van maakt. Hij sluit aan bij de boeiende traditie van de levenskunst zoals die in de oudheid werd beoefend: leer te aanvaarden wat je niet kunt veranderen maar blijf elk moment ijveren voor wat wel binnen je bereik is.’ En aan het eind van het voorwoord: ‘De onderneming van dit boek is enigszins gewaagd. Spinoza …. leefde in een andere wereld dan de onze, had een andere achtergrond, zag andere noden. …. Toch meen ik dat die beperking mij niet mag weerhouden om te doen wat ikzelf nuttig acht: mijn lectuur van Spinoza’s werk aanbieden, en neerschrijven hoe Spinoza mij in de verwarrende wereld vandaag  begeleidt.’

We proberen het boek eind maart 2021 gelezen hebben. Begin maart bekijken we op welke manier we het boek met elkaar bespreken.