Op 17 december 2025 bespraken we het boek ‘Sterrenstof zijn wij’ van Margot Brouwer. Op de omslag van het boek staat een uitspraak van de astrofysicus Heino Falcke die een uitstekende samenvatting geeft: “Een persoonlijke en gewaagde zoektocht tussen wetenschap en zingeving”. Brouwer, eveneens astrofysicus van beroep, is jarenlang bezig geweest met die zoektocht en vertelt al in de inleiding wat voor haar het antwoord geworden is. “Na veel omwegen heb ik God gevonden in de wondere wereld van de natuurwetenschap, de pantheïstische filosofie van Spinoza en de zelfloze leegten van de non-dualiteit. God is alles en alles is God, maar om daarachter te komen moest ik God eerst kwijtraken.” Met haar boek wil ze bijdragen aan een positieve dialoog tussen natuurwetenschap en zingeving.
Het boek begint met de evolutie van ons wereldbeeld, vanaf Aristoteles tot op heden. Brouwer wandelt met zevenmijls-laarzen door de geschiedenis van de astronomie. Vervolgens komt de vraag of er meerdere universums (zouden kunnen) bestaan. De astronomie is nu overgegaan in kosmologie. Voortdurend worstelt Brouwer met de vraag hoe dit alles past in het traditionele christelijke wereldbeeld. De omslag komt voor haar bij de toevallige vondst van het boekje ‘Spinoza uit zijn gelijkenissen en voorbeelden’ van Jan Knol. (Dit boekje hebben we in 2014 in onze filosofieclub gelezen.) Zij citeert Knol: “Volgens Spinoza staat God niet boven of buiten het universum, maar valt hij met het eindeloos en eeuwig universum samen, Zoals een danseres met haar dans. Spinoza’s motto luidt dan ook ‘God ofwel de Natuur.’ Al wat is, is uitdrukking of modus van God. Maar het gaat Spinoza niet om dat woord. God is ook maar een woord, Je kunt ook zeggen: het zijn”. Het denken van Spinoza wordt vervolgens behandeld, met name zijn opvatting dat God samenvalt met de gehele werkelijkheid. Dit wereldbeeld staat nu bekend staat pantheïsme en bestond al voor Spinoza het beschreef, niet alleen in christelijk Europa maar ook in Azië. Het bijzondere van Spinoza is dat hij deze opvatting als eerste systematisch heeft uitgewerkt.
In de volgende stap onderzoekt Brouwer hoe filosofie een brug kan zijn tussen natuurwetenschap en religie/zingeving en zij volgt hier de gedachten van de bioloog Stephen Jay Gould. Religie gaat hierbij over de vraag hoe ik een betekenisvol en moreel goed leven kan leiden. Religie kan echter nooit gebruikt worden om uitspraken te doen over de concrete werkelijkheid. Brouwer komt bij haar zoektocht uit bij Spinoza. “Zijn pantheïstische filosofie maakte het voor mij mogelijk om een nieuwe vorm van zingeving te ontdekken die niet in tegenstelling is met natuurwetenschap, maar er juist op is gebaseerd.”
Hierna duikt Brouwer in haar vakgebied, de kosmologie, en behandelt vragen als “Heeft het bestaan zin?” en “Zijn onze natuurwetten toeval?” Uiteindelijk komt ze weer terecht bij Spinoza die niets wil weten van het idee dat |God, ofwel de Natuur, enig doel zou hebben. Het hele bestaan is niets meer dan een netwerk van oorzaken en gevolgen. Voor Brouwer is dit een troostrijke gedachte. “Zoeken naar zin sluit ons af voor het diepe spirituele besef dat alles al volmaakt is. God ofwel de Natuur heeft geen doel, simpelweg omdat ze alles al heeft wat ooit kan zijn.” De auteur gaat verder in de kosmologie en bezint zich op de vraag of er universums kunnen bestaan met andere wetten van de wiskunde en ook of er universums zonder wiskunde bestaan en nog een groot aantal andere vragen. Het universum is niet altijd zo begrijpelijk als we zouden willen; volgens Spinoza is orde geen fundamentele eigenschap van het universum. Dit zou betekenen dat er geen theorie van alles bestaat en dat het universum dus onvoorspelbaar is.
Is het mogelijk dat alles – of op z’n minst de hele levende natuur – een bepaalde vorm van bewustzijn heeft (panpsychisme)? Dat zou ethische consequenties hebben. Einstein is een van de denkers die zich hiermee heeft bezig gehouden. Brouwer meent dat het panpsychisme “ons ook kan redden van een nihilistische interpretatie van de natuurwetenschap, die alle hoop op iets als de zin van het leven, God of een hiernamaals uitsluit.” Ze volgt weer Spinoza die het antropomorfe godsbeeld van zijn tijdgenoten verwierp. “God denkt niet na en maakt geen keuzes zoals wij.” God heeft dan ook geen vrije wil.
Het aantal vragen dat bij Brouwer oprijst lijkt geen einde te kennen. Zo wijdt ze hoofdstukken aan het probleem van het kwaad en ook waarom dingen gaan zoals ze gaan, de criteria van het leven, het waarnemen van de werkelijkheid, de betekenis van de dood. Ook nu komt ze tenslotte weer uit bij Spinoza. Goed en kwaad hebben volgens Spinoza geen objectief bestaansrecht, de twee begrippen verwijzen alleen maar naar goed of kwaad voor onszelf. Brouwer verwijst naar tal van natuurwetenschappelijke onderzoeken en ook – heel kort – naar het hindoeïsme, boeddhisme, taoïsme, islam, christendom en de joodse traditie. “De enige manier om Nirvana, God of de pure werkelijkheid te kennen is dus paradoxaal genoeg om al je kennis los te laten. Je zou het de wetenschap van het niet-weten kunnen noemen. Mijn doel om jou met dit boek Spinoza’s God te leren kennen was dus van meet af aan gedoemd te mislukken. Maar het goede nieuws is dat je al mijn woorden niet nodig hebt. … We zijn van Spinoza’s God als het oneindige multiversum aangekomen bij God als jouw diepste zelf.” De golf sterft, het water blijft stromen. Nhat Hanh zegt: “We hebben een historische dimensie, die we elke dag leven, maar we hebben ook een ultieme dimensie. … Als we in de ultieme dimensie kunnen functioneren op hetzelfde moment dat we in de historische dimensie functioneren, zijn we niet bang meer. Als er geen vrees meer is, is er sprake van echt geluk”. Spinoza: “Gelukzaligheid is niet de beloning voor de deugd, maar de deugd zelf.”
Brouwer heeft een omvangrijk en zeer persoonlijk boek geschreven. Ze heeft een vlotte en toegankelijke schrijfstijl. Bij de bespreking bleek ongeveer de helft van de aanwezigen zeer positief over het werk. De anderen waren niet geheel negatief maar hadden wel bedenkingen. Een belangrijk punt van kritiek betreft de enorme hoeveelheid tekst die de huidige natuurwetenschappelijke kennis beschrijft en hierbij met name de rol van de kosmologie. Een groot deel van die theorieën is niet gebaseerd op waarneming maar op mathematische exercities met natuurkundige modellen. Het is een onderdeel van het vakgebied van de auteur maar zal voor de meeste lezers niet allemaal (of helemaal niet) relevant zijn. Opvallend genoeg werd dit aspect vooral genoemd door de aanwezigen met een bèta-achtergrond. Het boek zou waarschijnlijk wel tot de helft of een derde ingekort kunnen worden zonder de essentie van Brouwers speurtocht te verliezen. Ook zijn er passages waarbij je je afvraagt of er sprake is van een cirkelredenering. De vergelijking van het godsbeeld van Spinoza met dat van het traditionele christelijke beeld is discutabel. Ook de behandeling van de oosterse religies is soms erg kort door de bocht. Ondanks deze bedenkingen blijft het toch een heel bijzonder en intrigerend boek.
Willem van Maren.